Enige uitleg over spieren, vetpercentage, metingen en afvallen
Vaak is te zwaar zijn een gevolg van te veel eten en te niet veel beweging. Men eet gewoon meer dan het lichaam nodig heeft. De energie die niet nodig is om als brandstof (calorieën) voor het lichaam te dienen zal daarbij grotendeels worden opgeslagen in de vorm van onderhuids vet. Bij dames dikwijls op plaatsen als bovenarmen, borsten, rug, benen en billen. Maar pas op….."vetzucht" en "overgewicht" zijn niet hetzelfde. Essentieel voor vetzucht is een te grote bijdrage van de vetmassa aan het totale gewicht. Met een paar gegevens als; het totaalgewicht, botgewicht en de hoeveelheid vet, welk laatste getal dikwijls aangegeven in een percentage, is te zien of er sprake is van alleen overgewicht of obesitas of van vetzucht.Mede door bepaling van het skeletgewicht krijgt men een goede indruk van de hoeveelheid spier- bloed- en bindweefsel etc. (mageremassa) of de verandering daarvan. Het verschil in botgewicht tussen personen kan wel oplopen tot zo'n 7 kilo, daarom is het beter om deze per persoon te berekenen. Via meting of schatting van de knie- en/of polsbreedte is de hoeveelheid bij benadering te bepalen. Er bestaan ook heel uitgebreide meetmethodes, maar voor het gemak spreekt men dikwijls van een lichte-, middel- of zware bouw.
De lichaamssamenstelling bestaat uit twee volumes, een magere- en een vetmassa. Een gemiddeld percentage van de vetmassa kunt u aflezen in bovenstaande tabel. Met de beschikking over reeds deze gegevens is de ombouw van vetweefsel (vetcellen) naar spierweefsel bij training of een te grote afbraak van spierweefsel bij verkeerd 'lijnen', heel goed te volgen en eventueel te corrigeren.
Opbouw van spieren is belangrijk omdat deze zorgen voor energie verbranding en dus ook meehelpen om vet te verliezen. Een weegschaal geeft de ombouw van vet- naar spierweefsel dikwijls niet direct aan, terwijl de spiegel dit meestal wel laat zien en de kledij ook wat ruimer valt. Als men spiermassa verliest is dit nauwelijks te zien aan het lichaam, maar bij vetverlies ziet men de grootte van het lichaam wel snel verminderen. Dit heeft te maken met het feit dat vetcellen een groter volume hebben dan spiermassa (denk hierbij maar aan een kilo veren of een kilo lood). Zo kan men eigenlijk gedurende het zwaarder worden in een trainings-periode er toch slanker gaan uitzien.
Op een weegschaal ziet men alleen of er kilo's af gaan, maar niet of dit vocht is of spier- c.q. vetweefsel. Bijna altijd is dit trouwens eerst vocht (meestal veel en snel) maar later gaat dit bij het verbranden van de vetten duidelijk langzamer. Door het meten van het vetpercentage krijgt men een heel duidelijk beeld over de gewichtssamenstelling. Met deze gegevens kan men heel gericht gedurende training en of lijnen werken aan de opbouw of behoud van lees meer over Enige uitleg over spieren, vetpercentage, metingen en afvallen



